Pagina 2 van 2 EersteEerste 12
Weergegeven resultaten: 11 tot 18 van 18

Discussie: Verhaaltje

  1. #11
    Gebruiker
    Geregistreerd
    24-11-2009
    Berichten
    74

    Standaard

    De commandant had zich nu al twee dagen verscholen in zijn tent. Hij liet niemand binnen, alleen de bedienden om hem eten te brengen, waarna hij humeurig in een hoek begon te eten. De palissade was versterkt met extra scherpe staken en diepere greppels. Rimbor was nog niet teruggekeerd en iedereen dacht dat hij en zijn mannen dood waren.

    Na een paar dagen kwam de commandant eindelijk uit zijn tent. Hij liep naar het hoofdkwartier en besprak met zijn mannen wat ze moesten doen. Ook Infin was erbij.
    ‘We hebben de vijand tegen gekomen in de bossen in het oosten. Het is mogelijk dat ze nu ons omsingelen in stilte.’ Zei Hadfar, de nu tweedebevelhebber. ‘Ik stel voor dat we ons kamp opbreken en naar het zuiden gaan.’

    Infin stond op uit zijn stoel en wees op de kaart met zijn wijsvinger. ‘De vijand verschuilt zich vast en zeker nog in de bossen. Onze positie is veel te kwetsbaar. Als ze een stormloop doen zijn we zo overrompelt. We moeten de bossen uitkammen en elke vijand vernietigen. Desnoods steken we het bos in brand.’
    Een paar van de aanwezigen knikten. Ook de commandant was het met Infin eens. ‘We kunnen nu niet terugtrekken. We moeten de vijand vernietigen nu het nog niet te laat is.’ Hij zuchtte. ‘Als het nog niet te laat is.’

    Een paar minuten later werd er op een hoorn geblazen. Het was midden in de nacht en bijna iedereen in het kamp sliep. Het hoorngeluid schalde door de koude nachtlucht. ‘Meld je bij je centurio!’ Werd er tegen de soldaten gezegt, die snel naar hun bevelhebber gingen om hun pantser aan te trekken. Speren werden uitgedeeld, paarden werden in alle haast klaargemaakt, bogen werden gespannen, pijlen werden in kokers gestopt.

    ‘Duwen!’ Riep de kapitein van een genieeenheid. ‘Een, twee, drie.. Duwen!’
    De mannen duwden het enorme gevaarte vooruit. Een nieuwe uitvinding van de geleerden van de Witte stad. Een ballista noemden ze het. Het was een soort enorme boog die enorme pijlen af kon vuren. De rest van de mannen zat op een kar met vuurkorven en stenen, die werd voortgetrokken door een beest dat Infin nog nooit had gezien.

    ‘Wat is dat voor beest?’
    ‘Dat is een Magbest. Komt uit het oosten, bij de mensen vandaan.’ Zei de beestenrijder.
    ‘Die mensen zijn rare schepsels. Maar ze hebben wel een enorme controle over zulke enorme beesten.’

    De kar reed weer verder en Infin ging naar de stallen. Hij sloeg rechtsaf bij de derde tent van de vierde rij en passeerde de keuken. Nu naar links en hij was er. In de stallen was het een drukte van jewelste. Stalknechten hadden werk in overvloed. Honderden paarden moesten gezadeld worden en dat was geen pretje.

    ‘Humbar!’ Riep infin.
    ‘Momentje!’ Riep een stem terug.
    Humbar kwam naar Infin toe lopen. Het was een klein en dik mannetje, met een rode blos op zijn wangen en een kalend hoofd, en met een vrolijk snorretje op zijn bovenlip. Een witte schort van leer beschermde zijn uitpuilende bierbuik.

    ‘Je paard is al gezadeld. Ze staat om de hoek.’ Zei hij vrolijk en hij ging weer weg om voor de andere paarden te zorgen. Infin liep om de hoek en daar stond zijn paard.
    Ze was glanzend wit, met zilveren manen en de hoefijzers waren van het mooiste zilver gemaakt. Het zadel was van prachtig leer, de teugels gemaakt van gouddraad. Stukken pantser waren op het hoofd en de nek en ook op de rug van het paard geplaatst.

    Het dier hinnikte luid toen ze Infin zag. Infin strook zijn hand over de manen en klom op het zadel. Hij leidde het dier de stallen uit en reed naar zijn centurio’s. Nu Rimbor waarschijnlijk dood was had hij het bevel over vele honderden.

    Zijn mannen vormden de elite en de ruggengraat van het hele leger. Hij liet de mannen opstellen en reed tussen hun door voor een inspectie.

    ‘Mannen van de Witte Garde!’ Riep hij. De mannen juichten en hieven hun speren omhoog.
    ‘Vandaag maken wij korte metten met de Duister heer en zijn leger!’ De mannen juichten en hieven nogmaals hun speren.

    ‘De duistere tirranie is voorbij! De tijd van het Witte rijk breekt aan! Rijd nu, mannen van de Witte stad, rijd nu en drijf de vijand uit de wereld, voor onze gesneuvelde vrienden, voor ons volk!’

    De mannen juichten luidkeels en bonkten met hun speren en zwaarden op de schilden. De paarden hinnikten luid en Infin pakte zijn hoorn van zijn riem en blies er luid op. ‘Voorwaarts!’
    De honderden paarden zetten zich in beweging. De poort werd opengedaan en Infin en zijn mannen reden het kamp uit. Ze maakten steeds meer snelheid, totdat ze in vol galop over de velden heen reden. ‘Ga! Ga! Ga!’ Riep Infin en nog sneller reden ze naar de bossen.

    De mannen reden het bos in en trapten alles kapot wat er in hun pad stond. Een groepje Spums, oftewel de vijand, was bezig een konijn te roosteren op een vuurtje. Voordat ze goed doorhadden wat er gebeurde waren zij en het vuur vertrapt door de hoeven van de paarden.
    Zo reden ze nog over een paar vijanden heen, vertrapten kampen en maakten alles met de grond gelijk. ‘Ga! Rijd nu! Rijd-‘ Infin slikte zijn woorden in. Tegenover hem stond Rimbor.


    ‘R-Rimbor.. Ben jij dat?’ Vroeg Infin angstig. ‘Ben je dat echt?

    Rimbor zei geen woord en bleef staan. Hij nam zijn helm af en Infin schrok zo erg dat hij van zijn paard viel. Het gezicht van Rimbor was aangetast, veel ouder en rimpeliger. Zwarte plekken en zwarte littekens waren over zijn gezicht verspreid. Zijn ene oog was zijn oorspronkelijke blauw maar zijn andere was rood en bloeddoorlopen.

    ‘Waarom draag je de tekenen van de vijand, vriend?’ Vroeg Rimbor in een onnatuurlijke schorre stem.

    Infin keek verbaasd. Was dit zijn vriend Rimbor? Infin keek naar zijn uitrusting. Er stonden helemaal geen vijandelijke tekens op. Het embleem van het Witte rijk stond nog in volle glorie op zijn pantser. Toen begreep hij wat Rimbor bedoelde.

    ‘Rimbor... Hoe.. Hoe kan dit? Wat hebben ze met je gedaan?’

    ‘Hij, de heer van de duisternis, heeft mijn ogen geopend. Zijn rijk is eeuwig en enorm, in de Duistere dimensie zullen wij regeren, Infin! Kom met me mee!’

    ‘Je bent gehersenspoeld door de vijand, Rimbor. Ik kan niet met je meegaan.’

    ‘Dan zul je sterven!’ Brulde Rimbor en hij wierp zich op Infin. Rimbor was vele malen groter en sterker dan Infin en de laatste had moeite met zich verweren. Rimbor hieuw op Infin in. Die blokkeerde met zijn schild, zijn zwaard was uit zijn hand geslagen. Ik houd dit niet lang vol dacht Infin.

    Toen Rimbor opnieuw wou toeslaan wierp Infin zijn schild weg en greep naar zijn zwaard, die naast hem in de bladeren lag. Met een snelle beweging hakte hij Rimbors hand eraf.
    ‘Vergeef me, oude vriend.’
    Hij hakte opnieuw en gaf Rimbor de genadeslag. De duistere aantasting verdween en het was weer de oude Rimbor, een dode Rimbor.

    ‘Meneer, we moeten hier weg!’ Een soldaat kwam naar Infin toe rennen. ‘We zijn in een hinderlaag gelopen! Ze zijn al bijna hier!’

    Rimbor..’

    ‘Meneer, Rimbor is voor de goede zaak gestorven. Kom nu!’ Hij sleepte Infin mee en zette hem op zijn paard. De soldaat ging ook op zijn paard en samen reden ze het bos uit, terwijl pijlen om hun hoofden zoefden.

    ‘We moeten naar het kamp!’ Riep de soldaat en Infin knikte.

    Infin keek achterom en duizenden Spums achtervolgden hen. Spums waren speciaal gemaakt door de Duistere Heer om de Witten te vernietigen, en alles wat goed was op de wereld. Spums waren kleiner dan Witten, hadden minder haar en waren dikwijls kaal, en waren gewapend met alles wat ze konden gebruiken. Ze plunderden dode vijanden en de Spums achter Infin hadden vele Witte pantsers en helmen.

    ‘We zijn bijna bij het kamp!’ Riep de soldaat.

    De twee paarden galoppeerden in de richting van het kamp, hun berijders hevig onder vuur door de Spums. Een angstaanjagend gebrul kwam achter hen vandaan en vijf ruiters op beesten kwamen achter het tweetal aan. Infin gaf zijn paard de sporen en het paard ging nog harder dan eerst, maar de beesten kwamen steeds dichterbij.

    ‘Ik leid ze af, meneer, gaat u naar het kamp!’ De soldaat liet zijn paard omdraaien en stond nu tegenover de vijf achtervolgers. De speer was stevig in zijn hand geklemt en hij wachtte tot het goede moment. Net toen een van de beesten op de soldaat afsprong wierp die zijn speer en de speer doorboorde het dier, die meteen dood neerviel. Nu trok hij zijn zwaard en stormde hij op de vier andere beesten af. Wat er toen gebeurde zach Infin niet, want een grote mistsliert bedekte het zicht. De mist was uit het niets gekomen en omringde het gehele bos. Toen werd alle mist naar het midden van het bos gezogen, waar het zich vormde tot een grote bal. De bal veranderde van kleur en werd rood met een paarse kern. Toen knalde de bal uitelkaar en een ring van vuur verteerde het bos en alles wat erin was. Voor Infin stond een kale vlakte, beroofd van alles wat ook maar een beetje levend was.

    Voetstappen. Gerinkel. Windvlagen. Mist.

    ‘Orch haz magna nazrath’ Zei een koude, lege en onnatuurlijke stem. Voor hem stond een duistere gestalte, gekleed in zwarte gewaden, met een masker van bot. Er was geen vorm, geen persoon in deze gestalte. Onder de kleden zat niets maar duisternis. Voor hem stond de Duistere Heer.

    Infin trok zijn zwaard en hield die voor zich. Iedereen is dood spookte door zijn hoofd. Al mijn vrienden en makkers zijn dood.

    ‘Ga uit mijn hoofd!’ Schreeuwde hij. De gedachten verdwenen en hij kwam weer tot rust. Infin keek naar de Duister Heer, die op de een of andere manier verbaasd leek.

    ‘Orch haz magna nazrath.’ Zei hij nog eens.

    ‘Ik weet niet wat je zegt en ik wil het ook niet weten!’ Riep Infin, en hij stormde op de Duistere heer af. Die lachtte, en bleef rustig staan waar hij was. Infin greep zijn zwaard stevig vast en zwaaide hem in het rond. Het zwaard raakte de plaats waar de nek zou moeten zitten en de Duister heer viel neer, zijn vorm leek op een rare manier ontsteld. Het gewaad viel op de grond en een afschuwelijk gekrijs kwam uit de kap. Infin deed zijn handen op zijn oren, toen opeens een enorme windvlaag hem omver duwde. Een vurige explosie volgde en de Duistere heer was verdwenen.

    Infin stapte naar de krater van de explosie toe, zijn ene been was open en er gutste bloed uit. De krater was zo diep dat Infin het einde niet kon zien. Alles om hem heen was vernietigd, dood en destructie waren de heersers van dit landschap. Het kamp was verdwenen, zijn vrienden en medesoldaten waren vernietigt. Het bos was niet meer, de dieren waren er niet meer, de Spums waren er niet meer. Alles was compleet stil. Geen geluid was te horen in de hele omgeving. Zelfs zijn paard was weg, de beste vriend die Infin ooit had gehad.

    Het enigste wat hij nu kon doen was nadenken. Nadenken over Rimbor, over wat er met hem gebeurt was. Hij dacht aan de soldaat die was gesneuveld voor hem en hij dacht nog het meeste aan zijn familie in de Witte stad, ver weg. Dat de Duistere Heer ook verdwenen was had geen belang meer. Hij was hier alleen, en hij had geen enkele kans om ooit terug thuis te komen.

    Naast Infin lag zijn zwaard. Het was in tweën gebroken maar nog steeds scherp. Infin pakte het zwaard. Hij pakte de dood.
    Laatst gewijzigd door J-K : 03-05-2012 om 14:02

  2. #12
    Gebruiker
    Geregistreerd
    24-11-2009
    Berichten
    74

    Standaard

    Oké, dat was de inleiding, ik hoop dat jullie het goed vonden. Hoofdstuk 1 is nog niet het echte verhaal, het heet ''Geschiedenis''

    Hoofdstuk 1: Geschiedenis

    Het witte rijk was zegevierend tijdens de slag van Aldurin Vlakten ,hoewel dit een groot woord is. Het gehele Witte Leger werd weggevaagt, zonder met zekerheid te kunnen bevestigen dat de Duistere Heer verdreven was. De Duistere dimensie heeft zich na de slag rustig gehouden, totaan heden toe. Na de slag trof een epidemie van de pest de Witte stad en driekwart van de populatie kwam om. Het Witte rijk raakte in verval en uiteindelijk verliet men de stad en het land om nooit meer terug te keren. Na de val van het Witte Rijk doemde het mysterieuze Kruisvaarder Rijk op, die beschermt wordt door dikke muren en waar nog nooit een mens is geweest. Het is mogelijk dat dit rijk bestaat uit de overlevenden van de Witten.

    Na de Witten kwamen de mensheid aan de macht, het grootste rijk het Oostelijke Koninkrijk der Mensheid, een bijzonder getalenteerd volk in het fokken en gebruiken van dieren voor werk en oorlog. Ook de Zuidelijke Republiek der Mensen heeft uitgestrekte landerijen, maar niet veel vergeleken met het Oostelijke Koninkrijk. In het westen vestigden zich de Rijders, mensen die vooral van hun paarden houden en een nomadisch bestaan hebben binnen hun grondgebied. Ze hebben zich over de loop van jaren verspreid en er bestaan Rijderkampen bij de Zilveren Rivier en kleinere kampen over de hele wereld.

    In het Zuid-Oosten is een groep wezens die zichzelf het bergvolk noemen, ze hebben zich gevestigt in de Oosterse bergen, de bergengroep die zich ten zuiden van de Grote Poort van het Oosterlijk Koninkrijk begint. Er zijn een paar conflicten tussen het koninkrijk en het Bergvolk geweest, hoewel deze niet heel groot waren en na een paar maanden weer vergeten waren.

    Ook het volk van de Hadar heeft zich gevestigt in het westen, net iets Noord van de Rijders daar. De Rungir leven in kleine dorpjes en zijn oorlogszuchtig en bloeddorstig. Het zijn carnivoren en mogelijk kannibalen, hoewel niemand ooit leven terug is gekeerd om te bewijzen of dat waar is.

    De Rungir leven ten Noorden van de Hadar. De Rungir zijn elegante en mysterieuze wezens, die de natuur vereren en zeer geleerd zijn. Er gaat een theorie dat de Rungir er nog zelfs voor de Witten waren, en dat de Rungir op de wereld zijn om de natuur en de balans van de wereld te behouden.

    De Zilveren rivier haalt zijn water uit de Eenzame Bergen, ten Noord-Oosten van de Rungir. De Eenzame Bergen worden meestal gemeden door reizigers en zelfs de meest moedige avonturier laat de bergen liever links liggen. Volgens de verhalen zijn de aangetaste en corrupte Witten hier opgesloten, totdat de Duisternis hen weer bevrijdt. Niemand is ooit teruggekeerd uit de bergen, zij het door de gevaarlijke kliffen of door een duister geheim dat zich er verschuilt.

    Verder is er nog het Laatse Koninkrijk in het uiterste Noorden. Niemand weet hoe deze landen eruitzien en waar ze leven. Het bestaat uit vlak en dor land, maar ergens bevindt zich de Dolleman grot. Het is mogelijk dat ze in deze grot hun bestaan hebben opgebouwd.

    Het laatste koninkrijk hoorde oorspronkelijk bij het Witte rijk, volgens de meest populaire theorie. Deze Witten steunden de Duistere Heer en werden daarom verbannen uit de Witte stad. De theorie hint dat de Duistere Heer hun mogelijk landerijen gaf in ruil voor hun steun.

  3. #13
    Gebruiker Koen's schermafbeelding
    Geregistreerd
    12-11-2010
    Berichten
    5.957

    Standaard

    Wauw, ik vind het heel spannend om te lezen.

    Er staan wat kleine foutjes in, zoals:
    zach = zag
    enigste = enige
    En nog wat van die dingetjes, maar verder prima geschreven!
    Vansinnes | Tjap Tjoy | SniPerX | Belastingdienst | Beau ter Ham | Makar
    Zoef de Haas | Ben de Biel | Doofenshmirtz | Hades

    2e plaats Forummer van het jaar 2012 | 2e plaats Gezelligste Forummer 2013 | 2e plaats Beste Aanvaller 2016 | 2e plaats Beste Farmer 2016 | 2e plaats Grootste Spammer 2016

  4. #14
    Gebruiker
    Geregistreerd
    24-11-2009
    Berichten
    74

    Standaard

    Mooi, want dat is wat ik probeerde te bereiken!
    De inleiding is nu voorbij en hoofdstuk 2 begint. Ik zal het morgen posten!

  5. #15
    Gebruiker Koen's schermafbeelding
    Geregistreerd
    12-11-2010
    Berichten
    5.957

    Standaard

    Ik kan niet wachten!
    /me is trouwe lezer (:
    Vansinnes | Tjap Tjoy | SniPerX | Belastingdienst | Beau ter Ham | Makar
    Zoef de Haas | Ben de Biel | Doofenshmirtz | Hades

    2e plaats Forummer van het jaar 2012 | 2e plaats Gezelligste Forummer 2013 | 2e plaats Beste Aanvaller 2016 | 2e plaats Beste Farmer 2016 | 2e plaats Grootste Spammer 2016

  6. #16
    Gebruiker
    Geregistreerd
    24-11-2009
    Berichten
    74

    Standaard

    Hoofdstuk 2: De senaat

    Degenen die in de Republiek woonden waren vaak arrogante en aristocratische snobs, die zichzelf beter vinden dan elk ander volk. Deze arrogantie is niet voor niets, want de Republiek is in vele opzichten het meest ontwikkelde en beschaafde rijk van de wereld. De hoofstad alleen telt al een groot deel van de bevolking, en trekt velen aan om in zijn wijken te gaan wonen.

    Het Capitool is het grootste gebouw van de Republiek en omstreken, gebouwd in marmer en goud, met vele torens en zalen. Buiten het Capitool is het Republiek Plein, met een fontijn in het midden, en bomen in elke hoek. Om het plein staan de Hangende Tuinen van de Republiek, waarop zelfs kunstmatige watervallen zijn gebouwd. Ook een van de redenen van de arrogantie en snoeverij van de Republiek is de Grote bibliotheek, pal naast het Republiek Plein.

    Deze bibliotheek heeft bijna alle kennis die de mensheid heeft weten te vergaren, en zelfs eeuwenoude geschriften en aantekeningen van de Witten.

    Door de stad loopt een door mensen uitgegraven kanaal, dat naar verscheidende punten van de stad loopt. Maar de grootste reden van hun arrogantie is dat ze trots zijn op hun Republiek. Ze afschuwen de koninkrijken en hebben dan ook middelmatige relaties met het Oostelijke koninkrijk. Hun trots en arrogantie hebben ervoor gezorgt dat ze niet gemogen worden door de volken ten noorden van hen, zoals de Rijders en de Hadar. Toch is de Republiek een grootmacht en een zeer beschaafd en geavanceerd rijk. Maar op een dag veranderde alles.


    Senator Tullius Avius zat zoals gewoonlijk in zijn leunstoel in zijn luxe woonkamer. Schilderijen van de oude tijden en historische figuren sierden zijn marmeren muren, en hij keek graag naar deze schilderijen als hij zijn pijp rookte. Tullius had nergens om zich zorgen over te maken, hij was geliefd bij het volk en had maar een vijand in de senaat. Zijn pensioen had hij geregeld, hij zou zijn dagen slijten in een villa op het platteland, met zijn vrouw.

    De vijand van Tullius, de aristocraat Vasor had een hekel aan iedereen die niet dacht zoals hij. Hij was de ergste soort van de Republiek. Iedereen die niet van de Republiek was bij hem niet welkom en hij minachtte hen. Andere volken waren minderwaardig en zouden allen moeten buigen voor de macht en beschaving van ‘zijn’ republiek.

    Op een dag ging Tullius naar het Senaatsgebouw. Hij nam de boot naar het Republiek Plein, want zijn huis lag aan het kanaal, en betaalde de man en gaf hem fooi. Daarna trok hij zijn gewaad recht en liep naar de ingang van de senaat. Voor de grote poorten stond de ceremoniele wacht, gekleed in zilveren harnas en mantel, gewapend met een speer. Tullius liep naar binnen en stond in de zuilengang van het gebouw. Tientallen zuilen van meters hoog hielden het gebouw overeind. De zuilengang was ook wel bekend als de welkomsthal of de Steekpenninghal, omdat hier veel omgekocht werd.

    ‘Morgen, Patras.’ Zei Tullius tegen de kapitein van de wacht, die met een paar mannen stond te praten.
    ‘Goedemorgen, Tullius! Goed je te zien!’ Hij zei tegen de mannen dat ze konden vertrekken.
    ‘Nog nieuws?’ Vroeg Tullius.

    ‘Die ene Vasor doet weer moeilijk. Hij wil dat we alle contacten met andere rijken verbeteren. Compleet gestoord die vent.’
    ‘Ja.’ Tullius zuchtte. ‘Het probleem is dat veel mensen naar hem luisteren.’

    Tullius groette en liep weer verder. De vergaderzaal was nu nog maar een paar meter van hem verwijderd, door de deuren en dan was je er. Tullius opende de deuren en een enorme zaal doemde voor hem op. Er stonden marmeren tribunes aan alle kanten van de zaal en tegenover de deuren stonden twee stoelen, met daarvoor een tafeltje met een glaasje water. Tullius ging in een van de stoelen zitten, Vasor in de andere. Het lot wilde dat juist deze twee vijanden allebei Consul waren.

    ‘We zijn hier om de sinistere gebeurtenissen van laatst te bespreken.’ Zei Tullius met luide en heldere stem. ‘Laat senator Vemptor naar voren komen!’
    De senator kwam naar voren en ging achter het tafeltje staan. Hij nam een slok van het water en begon te spreken.

    ‘Senators van onze geliefde Republiek, we zijn hier om de vreemde gebeurtenissen van jongstleden te bespreken. Er zijn verscheidende moorden gepleegd op senators en hun familie, om redenen die nog niet bekend zijn. Er is een verband tussen deze moorden. De senators steunden allemaal Tullius. Het is mogelijk dat de vijanden van Tullius hierachter zitten.’ De senator zweeg en wachtte op antwoord.

    Vasor sprong op, met een rood hoofd.

    ‘Bedoelt u hiermee dat u mij verdenkt? Ik, degene die onze geliefde Republiek, moeder van alle rijken, wil vernietigen door onze goede burgers en senators te doden?’ Zei hij verhit. De senaat juichde, ze waren het met Vasor eens.

    ‘Helemaal niet, mijnheer de consul. Het is alleen zeer opvallend dat-‘ Begon de senator maar Vasor maakte een handgebaar dat hij moest stoppen met praten.

    ‘Uw anti-republiek praatjes zijn voorbij, senator. U zal nu de wraak van de republiek onder ogen zien!’ Zei Vasor. De deuren van de vergaderzaal sloegen open en tien wachters marcheerden de zaal binnen. Ze grepen Vemptor bij de armen vast en namen hem mee, de zaal uit.

    ‘Dit is ongehoord!’ Tullius sprong uit zijn stoel op. ‘Senators van de Republiek, Vasor heeft zojuist een rechtschapen senator en Republikein laten oppaken, zonder duidelijk reden. Is dit wat onze goede Republiek is geworden?’

    ‘Ga zitten, en hou je mond!’ Siste Vasor. ‘Anders kunnen er nog eens nare dingen gebeuren.’

    Toen de vergadering voorbij was ging Tullius zo snel mogelijk naar huis. Het dreigement van Vasor had hem bang gemaakt. Hij wilde nog niet dood! Hij was dan wel oud maar nog wel kerngezond en en hij genoot van het leven! Toen hij in huis was sloot hij de deuren achter hem en deed ze drievoudig op slot.

    ‘Brutus!’ Riep hij. ‘Waar ben je?’

    Brutus, de persoonlijke bediende en bewaker van Tullius kwam uit de keuken tevoorschijn.

    ‘Ah, gelukkig, daar ben je!’ Zei Tullius opgelucht.

    ‘Is er iets, meester?’

    ‘Die Vasor maakt het veel te bont. Eerst laat hij Vemptor oppakken en dan bedreigt hij mij! Ik moet iets doen!’

    ‘Nee.’

    ‘Wat bedoel je, Brutus?’ Vroeg Tullius verbaasd.

    ‘Ik bedoel dat U niets gaat ondernemen tegen Vasor en zijn aanhangers. De gevolgen zullen ernstig zijn.’

    Tullius keek verschrikt naar Brutus.

    ‘Jij ook al? Maar ik zal doorgaan!’ Riep hij luid en Brutus keek teleurgesteld.

    ‘Dan zit er niets anders op, meester.’

    Brutus haalde een mes tevoorschijn uit zijn mantel en stak die in Tullius’ rug. Tsjak. Tsjak. Tsjak. En nog een keer, en nog een keer. Tullius zakte op de grond en blies zijn laatste adem uit. Brutus nam het lichaam mee naar de kelder en zorgde dat het koel bleef. Zijn nieuwe meester zou hem goed belonen.

  7. #17
    Gebruiker Koen's schermafbeelding
    Geregistreerd
    12-11-2010
    Berichten
    5.957

    Standaard

    Nu niet zo'n tijd om te lezen, ik lees hem waarschijnlijk vanavond
    Vansinnes | Tjap Tjoy | SniPerX | Belastingdienst | Beau ter Ham | Makar
    Zoef de Haas | Ben de Biel | Doofenshmirtz | Hades

    2e plaats Forummer van het jaar 2012 | 2e plaats Gezelligste Forummer 2013 | 2e plaats Beste Aanvaller 2016 | 2e plaats Beste Farmer 2016 | 2e plaats Grootste Spammer 2016

  8. #18
    Gebruiker
    Geregistreerd
    24-11-2009
    Berichten
    74

    Standaard

    Er zwierf een man door de donkere straten van de hoofstad. Zijn gezicht verscholen onder een kap, een zwaard aan zijn zijde. In de hedendaagse tijden kon je niemand vertrouwen, en ’s nachts door de straten lopen zonder wapen was het domste wat je kon doen.

    De man sloeg bij het Republiek Plein linksaf en stond nu in een tuintje. Hij schoof wat aarde opzij en haalde het deksel van de put af. Hij liet zichzelf de put invallen en viel in het vuile en stinkende water van het riool. Een geluid! De man trok zijn zwaard en keek rond. Hij zag niets en borg zijn zwaard op. Plotseling kwam een enorme rat uit het water die op de man afsprong. Deze pakte verschrikt zijn zwaard en hakte op de rat in, net zo lang totdat die dood was.

    Hij kwam bij een oude en verroeste poort aan, dat op slot zat. Hij pakte een sleutel uit zijn broekzak en plaatste die in het sleutelgat. Hij draaide de sleutel en de poort opende met een hoog piepgeluid. In de kamer scheen een vaag licht, dat door een kaars vanaf de tafel over de kamer werd verspreid. De mannen in de kamer sprongen op bij het horen van het piepgeluid.

    ‘Wachtwoord?’ Zei een van de mannen, met zijn zwaard getrokken.
    ‘Bloedmes.’ Antwoordde de man.

    De poort werd opengedaan en de man die om het wachtwoord had gevraagd deed zijn zwaard weer in de schede. De man die binnengelaten was deed zijn kap af en ging op een van de stoelen zitten.

    ‘Tullius is dood. Waar is mijn beloning?’ Vroeg de man gretig. Hij keek naar de grote zak geld die op de tafel stond. Zijn hand bewoog naar de zak toe, maar de man tegenover hem greep hem snel weg.
    ‘Het bewijs van zijn dood.’ Zei hij.

    De man haalde een pakketje uit zijn zak. De man die de zak had weggegrepen opende het pakketje en de zegelring van Tullius werd zichtbaar. De ring was gemaakt van zilver met gouden inscripties en een ivoren zegel.

    ‘Goed werk, Brutus.’

    Brutus glimlachte en keek hebberig naar de andere man. ‘Enne, nou het goud!’

    ‘Brutus, dit is een van de problemen van omkoping.’ Zei de man. ‘Het is nooit zeker of diegene zijn mond houdt en daarom moeten we meestal andere middelen gebruiken dan goud.’

    ‘Nee! Ik zal mijn mond houden! Spaar me!’ Riep Brutus en hij viel op zijn knieën voor de man. ‘Ik smeek je!’
    ‘Dood hem.’ Zij de man tegen zijn makkers.

    ‘Nee! Nee! Ne-‘ Brutus smeekte en jammerde maar het baatte niet. De mannen kwamen op hem af en staken hem met hun messen en zwaarden totdat hij dood was.

    ‘Kom, we moeten de baas vertellen dat Tullius en zijn slaafje dood zijn.’ Zei de leider en ze doofden de kaars en verlieten de kamer.

    *****

    ‘In het licht van de gebeurtenissen die gebeurt zijn ben ik tot de conclusie gekomen dat de senaat niet langer in staat is om de orde te houden en dit duistere gebeuren de kop in te drukken. De moord op mijn collega en mede-consul heeft mij diep ontroerd. Zijn dood zal niet vergeten worden, maar hij zal worden herdacht als iemand die voor de goede zaak gestorven is. Door zijn dood heb ik nu de macht als dictator, gegeven door de senaat, om de Republiek te hervormen en haar weer tot een grootmacht te maken, een voorbeeld voor allen.’

    De senaat maakte geen enkel geluid. Vasor had hen allen uitgenodigt om naar zijn speech te komen luisteren en mee te beslissen hoe het verder moest. Maar toen ze in de vergaderzaal aankwamen stonden daar soldaten, zogenaamd om de orde te bewaren. De senators waren bang geworden, bang om te worden opgepakt.

    ‘De Republiek heeft lang genoeg geleden onder het juk dat democratie heet. Vanaf nu zal de Republiek niet langer onder het lamlendige bestuur van de senaat staan, maar onder het directe bevel van mij, dictator voor het leven, benoemd door de senaat zelf!’ Bulderde Vasor.

    De soldaten juichten. Ze hadden bevel gekregen te juichen en zo enthousiast en verrukt mogelijk te reageren op Vasor’s toespraak.

    ‘Heil onze leider! Heil onze bevrijder!’

    De senators zagen het met lede ogen aan. Voor hun ogen werd de democratie en de macht van de senaat weggevaagd door Vasor. Het leger had heel wat steekpenningen ontvangen van Vastor om dit te doen.
    ‘We zullen allen vernietigen die ons niet steunen! We zullen onze macht laten zien aan de andere rijken en we zullen het domineren!’

    ‘Heil onze leider! Heil onze bevrijder! Heil Imperator!’

    ‘We zullen de wereld regeren, monumenten zullen wij bouwen ter ere van ons rijk! Ter ere van het rijk dat voor eeuwen zal staan!’

    Het juichen was zo uitbundig dat het glas water op het tafeltje voor de stoelen begon te trillen. Vasor liet een draagstoel aanrukken en hij ging erin liggen.

    ‘Draag me door de stad!’ Beval hij. ‘Geef de mensen hun leider!’

    Maar in een hoekje van de vergaderzaal was er geen vreugde. Een groepje senatoren was bij elkaar gekomen.

    ‘We moeten van hem af! Hij vernielt alles waar de Republiek voor staat!’ Zei een van de mannen verhit.
    ‘Maar het leger staat volledig achter hem! We hebben geen kans van slagen!’ Zei een van de anderen.
    ‘Eerst moet hij dood. Daarna zien we wel verder.’ Besloot de leider van de groep. ‘Maar we kunnen ons geen burgeroorlog veroorloven.’

    ‘Alles voor de Republiek.’ Fluisterde een van hen.
    ‘Alles voor de Republiek.’ Fluisterden de anderen.

    (Ik hoop het naar een uitgever te kunnen sturen als het af is, als het goed genoeg is. Thoughts?)
    Laatst gewijzigd door J-K : 04-05-2012 om 15:44

Soortgelijke discussies

  1. Verhaaltje
    By baldun in forum Creatief met schrijven
    Reacties: 156
    Laatste bericht: 24-04-2011, 20:29

Regels voor berichten

  • You may not post new threads
  • You may not post replies
  • You may not post attachments
  • You may not edit your posts
  •